doorgroeien

mijn nagels en mijn haren groeien door
terwijl ik rustig op een bankje zit
tussen het pad en het water

de wind verstrooit de stralen van de zon
en het hakkelende zingen van het carillon
de tijd verstrijkt en het wordt later

doolhof

nieuwe gedachten kruipen
langzaam en ondoeltreffend
door de mazen van het doolhof
dat mijn brein geworden is

het regende niet

het regende niet

geen druppels
geen miezer
geen mot

het was zelfs
niet mistig

zoals afgesproken

het wachten was
op niets bijzonders
we zaten rond
er was zowat
niets aan de hand

(er was appeltaart)

goed praten

om de tafel staan
de lege stoelen
naast elkaar
de ruggen recht
en in ’t gelid

de borden voor de vis
zijn uiteraard ook leeg
de dampende kom
met aardappels
is nog toekomst